Maker Education. Tien jaar geleden.

Van Jan Lepeltak kregen we een link naar een artikel uit de Trouw van 26 juni 2003. Het Computerclubhuis. Eigenlijk gewoon Maker Education voordat het zo genoemd werd. Citaat: “Laat jongeren de computer gebruiken om er iets mee te maken, te scheppen want dat is een veel hoogwaardiger vorm van leren.” Bedankt Jan!

Schrijf zelf maar een rap

Esther Hageman − 26/06/03, 00:00

Neem een ouwe fietsenstalling en een stel probleempubers. Koop een stuk of twintig computers. Sluit hooguit drie daarvan aan op internet. Laat een binnenhuisarchitect de stalling verbouwen, maar zeg erbij dat het er niet uit mag zien als een leslokaal. Weer ‘computerdocenten’ uit de ruimte, want wat heb je daar nou aan. Resultaat: een computerclub waar nooit iets gemold of gejat wordt. En vooral, waar jongeren zin krijgen om iets te leren, te maken, te scheppen.

Jan Lepeltak wijst omhoog, naar de neonreclame boven de ingang van Het Computerclubhuis. ,,De eerste keer dat ik met de deelgemeente ging praten, een gesprek van laten we zeggen een uur, ging het minstens drie kwartier over beveiliging. Ja maar, die pc’s worden toch meteen gestolen? Neonreclame? Die gaat toch onmiddellijk aan diggelen? Dat type tegenwerpingen hadden ze. En begrijpelijk, want dit is Amsterdam-west. Dat gesprek is nu drie jaar geleden. En wat denk je: dit is nog altijd die eerste neonreclame.”

Het Computerclubhuis zit aan de achterkant van het vmbo-gebouw van de Calvijn scholengemeenschap in Amsterdam. Maar verder heeft het clubhuis erg weinig met de school te maken. Nou ja, behalve dat de school het clubhuis een warm hart toedraagt en er z’n fietsenstalling wel voor wilde opofferen. Want, zegt locatiedirecteur Dick Eijgenraam, ,,wij zijn wel zo’n school die zich realiseert dat een school niet de enige plaats is waar je iets kunt leren.”

Dat is in een notendop de filosofie van Het Computerclubhuis – die op zijn beurt gedachtengoed is van Mitchel Resnick, hoogleraar aan het Media Lab van het prestigieuze Massachusetts institute of technology (MIT). Maar dat er ook in Nederland zo’n clubhuis is, is de verdienste van Lepeltak, hoofdredacteur van Computer op school. Hij zag de eerste computerclubhuizen in Boston, en dacht onmiddellijk: waarom hebben we dat in Nederland niet? Dat was juist in de tijd dat minister Roger van Boxtel (grotestedenbeleid) propageerde dat er ‘digitale trapveldjes’ moesten komen. Het Computerclubhuis in Amsterdam werd één van de 200 trapveldjes die Nederland inmiddels telt.

Wereldwijd zijn er, met financiële steun van chips-gigant Intel, inmiddels 77 Resnickiaanse computerclubhuizen, van Sao Paolo tot New Delhi. Zodat aartsvader Resnick tegenwoordig een groot deel van zijn tijd doorbrengt in vliegtuigen, onderweg van het ene naar het andere clubhuis, van symposium naar symposium. Vorige week was hij even in Nederland.

Mitchel Resnicks onderwijs-evangelie klinkt eenvoudig en aantrekkelijk. Op veel scholen staan wel een heleboel computers, maar in de praktijk worden die ingezet op een manier die veel te beperkt en in de kern ouderwets is, vindt Resnick. Sommen maken, plaatsnamen repeteren – allemaal tot je dienst, maar zo gebruik je de mogelijkheden niet die de computer biedt om creatief te zijn. Terwijl de huidige generatie onderwijsbobo’s zich vooral zorgen maakt dat mensen met weinig geld niet vaak genoeg in contact komen met een computer (de ‘digitale tweedeling’ van de samenleving), ziet Resnick die beschikbaarheid niet als het grootste probleem. Hij maakt zich over iets heel anders zorgen: of jongeren aan die pc wel de juiste dingen leren. Zolang je blijft denken dat ‘computers’ vooral iets te maken hebben met ‘informatie’ – kijk, zo verzend je een email; kijk, zo werkt het tekstverwerkingsprogramma – zie je over het hoofd dat je de pc ook kunt gebruiken zoals je een verfdoos gebruikt: de kleuren zijn er al, het is aan de artiest om er iets moois mee te maken.

Laat jongeren de computer gebruiken om er iets mee te maken, te scheppen, vindt Resnick – want dat is een veel hoogwaardiger vorm van leren. Resnick vergelijkt het met een taal leren. Je spreekt een taal pas werkelijk wanneer je er je ideeën in kunt uitdrukken; niet wanneer je een heleboel woorden kent en de grammatica snapt. Zo ook met computers. Veel ernstiger nog dan een kloof tussen wie wel en wie geen computer bezit, vindt Resnick de kloof tussen de mensen die de computer wel of niet creatief weten te gebruiken.

Hou je van computerspelletjes? Prima, maar in een computerclubhuis kun je zo’n spel niet gaan zitten spelen. Ga er maar zelf een maken. Chatten is er evenmin de bedoeling. Ben je dol op rap? Uitstekend – maar in het computerclubhuis zit je die muziek niet van internet te downloaden; schrijf zelf maar een rap en zet de tekst boven een ritme dat je aan de PC zelf hebt gecomponeerd. Kan je dat niet alleen? Geeft niets, daar zijn de mentoren voor. Dat zijn jongeren zoals jij, maar dan met wat meer ervaring.

Of, wanneer een kind geen overduidelijke passie heeft, stel het kind dan de vraag: welk probleem zou je graag eens opgelost zien? In de Computerclubhuizen van de VS noemen kinderen dan andere problemen dan in India, blijkt uit een filmpje dat Resnick heeft meegebracht. Ik zou weleens willen weten hoe hard ik eigenlijk ga wanneer ik op mijn skates rijd, zegt een elfjarig Amerikaans meisje – en ze ontwerpt een snelheidsmeter. Ik zou weleens willen weten hoe schoon ons drinkwater eigenlijk is want er zijn bij mij in de buurt zoveel mensen ziek, zegt een 13-jarige Indiase jongen uit een sloppenwijk. In het Computerclubhuis, waar een microscoop op een computer is aangesloten, onderzoekt hij de waterkwaliteit.

,,Die ervaring van zo’n jongen lost het probleem van de waterkwaliteit in India niet op, maar het verandert wel zijn zelfbeeld”, zegt Resnick. ,,Hij ontwikkelt er zelfvertrouwen door: ik heb iets uitgezocht. Net als dat meisje. Dat ontwikkelt ook een notie van wat er allemaal mogelijk is: er gaat een wereld open.” Dat deed ze met een ander idee van Resnick: programmeerbaar Lego, op de markt onder de naam MindStorms. Dat is Lego met een chip erin, waardoor je constructies kunt bedenken met een tijdklok erin, of een slot erop.

,,Het bijzondere van het Computerclubhuis is dat er geen docenten zijn”, zegt Lepeltak. Al die andere digitale trapveldjes zijn, in een of andere vorm, een brave cursus. Hier vraag je aan een mentor: hee, help me even, leg me eens uit. Je bent onder gelijken. Het belangrijkste deel van de naam is dus niet ‘computer’, maar ‘clubhuis’. De leden hebben dat gevoel zelf ook. Daarom blijft de boel heel, en is er in drie jaar ook nog nauwelijks iets gestolen.”

De Amsterdamse vestiging van het Computerclubhuis heeft inmiddels 166 leden, onder wie een flinke groep die er vóór het lidmaatschap niet meer voor te porren viel om nog naar school te gaan. Lepeltak: ,,De leerplichtambtenaar weet ons inmiddels ook te vinden en stuurt ons spijbelaars. Het vermakelijke is dat je in een dergelijk geval allerlei waarschuwingen van de oude school mee krijgt: ‘pas op hoor, die jongen heeft een korte lont’, enzo. Maar hier? Ze zitten uren onafgebroken te computeren. Geen centje pijn.”

De Onderwijsraad, het adviesorgaan van de regering in onderwijszaken, dat zich van oudsher vooral druk maakte of artikel 23 van de Grondwet (de vrijheid van onderwijs) niet in gevaar komt, toont enthousiasme voor het abstracte idee dat achter het Computerclubhuis schuilgaat. Leren gebeurt niet alleen op school; ook (wat de raad noemt) ‘informeel leren’ is leren, schreef de raad onlangs in een tweetal rapporten. Ans Grotendorst, lid van de Onderwijsraad: ,,Het onderwijsbestel weet over initiatieven als deze vaak niet zoveel meer te zeggen dan ‘jullie zijn leuk bezig’. Enerzijds is de school er vaak zelf oorzaak van dat jongeren dropouts worden, door maar één manier van leren aan te bieden. Anderzijds ontbreekt het aan elke erkenning voor wat jongeren ‘buiten’ opsteken. Dat is verkeerd. Je zou op school examen moeten kunnen doen in dingen die je buiten school hebt opgestoken. Doe recht aan elke kennis, hoe die ook en waar die ook is verworven. Of om concreet te zijn: als een leerling een werkstuk moet maken, dan kun je je voorstellen dat-ie op school de informatie bijeen gaart, en dat-ie in een Computerclubhuis de vormgeving doet. Daar moet je dan wel een cijfer voor krijgen.”

Origineel artikel hier te vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *